• Banner
  • Banner

Nieuws

Geen stamrechtvrijstelling voor in 2014 ontvangen vergoeding

Per 1 januari 2014 is de stamrechtvrijstelling in de loonbelasting vervallen. De stamrechtvrijstelling bepaalde dat aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon niet tot het loon behoorden. Door werkgevers betaalde ontslagvergoedingen werden vaak met behulp van de stamrechtvrijstelling gebruikt als pensioenaanvulling of als vervroegd pensioen. Bij het vervallen van de stamrechtvrijstelling is een overgangsregeling getroffen. Op grond van de overgangsregeling kon de stamrechtvrijstelling worden toegepast op aanspraken die op 31 december 2013 bestonden en voldoende bepaalbaar waren.

Een in 2013 ontslagen werknemer, die een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag tegen zijn ex-werkgever wilde aanspannen, had in dat jaar niet meer dan de verwachting dat de rechter hem een schadevergoeding zou toekennen. Pas na de uitspraak van de civiele rechter in de loop van 2014, waarin hem een schadevergoeding werd toegekend, was sprake van een belastbare bate. Niet eerder dan met de toekenning van de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag kwam vast te staan dat deze schadevergoeding zou worden gebruikt voor een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Op deze schadevergoeding kon de stamrechtvrijstelling niet worden toegepast. Nadat eerder de rechtbank en het gerechtshof het beroep van de werknemer op de stamrechtvrijstelling hadden afgewezen, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard.


Premieplicht voor werk in buitenland tijdens vakantie

Voor de AOW, de Anw en de Wet langdurige zorg (Wlz) is verzekerd de ingezetene van Nederland die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Niet verzekerd is de persoon op wie op grond van een verdrag de wetgeving van een ander land van toepassing is.

De rechtbank moest aan de hand van internationale toewijzingsregels bepalen of een ambtenaar, die tijdens zijn vakantie in het Verenigd Koninkrijk was gaan werken, in die periode in Nederland premieplichtig was voor de volksverzekeringen. De ambtenaar had, voorafgaand aan het einde van zijn baan in Nederland, zijn vakantiedagen opgenomen.

De EU-verordening, die de coördinatie regelt van socialezekerheidsstelsels binnen de EU, bepaalt dat op een ambtenaar, die daarnaast in een andere lidstaat van de EU werkt, de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst ressorteert waarbij hij werkzaam is van toepassing is. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie EU wordt een werknemer tijdens (onbetaald) verlof geacht werkzaamheden in loondienst uit te oefenen. Omdat het dienstverband van de ambtenaar pas na zijn verlofdagen eindigde, betekende dit, dat hij in Nederland verzekerd en premieplichtig was.


Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige

Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een inwoner van een andere lidstaat van de EU of van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES-eilanden en van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting.

De vraag in een procedure voor de rechtbank was of een inwoner van België een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige was. De belanghebbende had een eigen woning en een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde bv. De bv keerde in 2015 € 135.000 dividend uit. Op het dividend is in Nederland 15% dividendbelasting ingehouden. In België werd het netto dividend belast met 25% federale belasting. Op grond van het verdrag met België is belastingheffing over dividend door beide landen in dit geval toegestaan. De belanghebbende werkte in dienstbetrekking voor zijn bv en ontving in 2015 € 44.000 aan loon.

Voor de beoordeling of het inkomen geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor 90% of meer in Nederland belast wordt, hield de Belastingdienst geen rekening met het dividend, omdat Nederland op grond van het verdrag slechts een beperkt recht heeft om daarover belasting te heffen. De rechtbank deelt de opvatting van de Belastingdienst niet en is van oordeel dat het dividend in Nederland is onderworpen aan de inkomstenbelasting. De belanghebbende voldeed aan de eis dat zijn inkomen voor 90% of meer in Nederland aan belastingheffing is onderworpen. Het gevolg was dat in Nederland rekening moest worden gehouden met de negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning.


Conceptbesluit overgangsrecht Brexit zonder overeenkomst

De staatssecretaris van Financiën heeft een conceptbesluit met overgangsrecht gepubliceerd voor het geval het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat zonder overeenkomst. Het besluit bevat een algemene goedkeuring voor een aantal belastingwetten, waardoor het Verenigd Koninkrijk voor het jaar 2019 c.q. voor boekjaren die vóór 30 maart 2019 zijn aangevangen beschouwd wordt als lid van de Europese Unie. De algemene goedkeuring geldt voor:

  • de Wet inkomstenbelasting 2001;
  • de Wet op de loonbelasting 1964 (met deels een verlengde overgangsperiode voor alleen bestaande gevallen);
  • de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
  • de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
  • de Algemene wet inzake rijksbelastingen; en
  • de op deze wetten betrekking hebbende algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en beleidsbesluiten.

Daarnaast bevat dit besluit specifieke goedkeuringen voor de Loonbelasting, de Invorderingswet en de bpm. De specifieke goedkeuring voor de Loonbelasting betreft de toepassing van het anoniementarief en de identificatieplicht. Tot 15 maanden na de terugtrekking uit de EU worden VK-burgers en hun familieleden niet beschouwd als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet. Dat betekent dat zij geen verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning nodig hebben om toepassing van het anoniementarief te voorkomen.

De goedkeuring voor de Invorderingswet betreft uitstel van betaling voor aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over belastingjaren tot en met 2019. De specifieke goedkeuring voor de bpm betreft de export van een motorvoertuig voor 30 maart 2019 als dat voertuig binnen drie maanden wordt ingeschreven in het kentekenregister van het VK.


Misbruik verhoogde schenkingsvrijstelling

Sinds 2017 is de verhoogde schenkingsvrijstelling ten behoeve van de eigen woning niet langer beperkt tot schenkingen van ouders aan hun kinderen. Mensen tussen 18 en 40 jaar mogen van iedereen eenmalig een schenking van maximaal € 102.010 (bedrag 2019) vrij van schenkbelasting ontvangen. Het geschonken bedrag moet binnen twee jaar na het jaar van de schenking worden benut voor de bouw of verwerving van een eigen woning, de aflossing van de eigenwoningschuld, de verbetering of het onderhoud van de eigen woning of voor de aflossing van een restschuld. In 2020 wordt de regeling geëvalueerd. Daarbij zal onderzocht worden of zich ongewenste constructies voordoen. Een mogelijke ongewenste constructie is de kruislingse schenking. Die constructie wordt toegepast wanneer voor een schenking van ouders aan hun kind al een beroep is gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling. Om een volgende schenking toch belastingvrij te kunnen doen, schenkt ouderpaar 1 aan het kind van ouderpaar 2 en andersom.

In antwoord op Kamervragen zegt de staatssecretaris van Financiën dat de Belastingdienst kruislingse schenkingen zal beschouwen als schenkingen van de ouder(s) aan het eigen kind. Dat betekent dat schenkbelasting van het kind wordt geheven, indien het kind eerder een beroep heeft gedaan op de verhoogde vrijstelling voor een schenking van de ouders. De staatssecretaris vindt het gebruik van kruislingse schenkingen om de verhoogde vrijstelling voor de eigen woning meerdere keren te kunnen benutten in strijd met de letter en geest van de Successiewet. In strijd met de letter van de wet omdat door het stellen van de voorwaarde van een schenking door het andere ouderpaar aan het eigen kind niet voldaan is aan de eis dat de schenking onvoorwaardelijk wordt gedaan.

De staatssecretaris is overigens niet van plan om wijzigingen in de regeling door te voeren om dit soort niet wenselijke fiscale constructies onmogelijk te maken. Bij het wijzigen van de regeling van de vrijstelling per 1 januari 2017 is bewust gekozen voor een ruimere toepassing dan de ouder-kindrelatie.


Geen tariefdifferentiatie overdrachtsbelasting

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de fiscale behandeling van verhuurde woningen. Een van de vragen is of de staatssecretaris bereid is vastgoedportefeuilles die meer dan drie woningen bevatten altijd in box 1 in plaats van in box 3 te belasten, bijvoorbeeld door een dergelijke portefeuille als onderneming aan te merken. De staatssecretaris wijst op de rangorde van de Wet IB 2001. Aan de hand van feiten en omstandigheden wordt beoordeeld of het gaat om ondernemingsvermogen, om resultaat uit overige werkzaamheden of om beleggingen die in box 3 vallen. De staatssecretaris wijst erop dat aan de Eerste en Tweede Kamer toezeggingen zijn gedaan om onderzoek te doen naar een andere wijze van belastingheffing over huurinkomsten uit onroerende zaken. Het doel van dat onderzoek is niet om beleggen in woningen fiscaal minder aantrekkelijk te maken, maar om varianten in beeld te brengen die kunnen bijdragen aan een beter belastingstelsel.

Het tarief voor de overdrachtsbelasting, dat is de belasting die betaald moet worden bij verkrijging van bestaande onroerende zaken, bedraagt 2% voor woningen en 6% voor andere onroerende zaken. De staatssecretaris ziet niets in een gevarieerd tarief voor de overdrachtsbelasting om het voor beleggers minder interessant te maken om woningen te kopen voor de verhuur. Een dergelijke variatie zou moeten bestaan uit een nultarief voor starters op de woningmarkt en een hoger tarief van bijvoorbeeld 10% voor derde en verdere woningen. Volgens de staatssecretaris leidt dat tot ingewikkelde regelgeving en het risico van ontwijking van het hoge tarief door middel van constructies.


Bestuurder beherend vennoot verleende rechtsbijstand aan cv

Wie in bezwaar of beroep (gedeeltelijk) in het gelijk wordt gesteld, kan aanspraak maken op vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor door een derde verleende professionele rechtsbijstand.

Inzet van een procedure voor Hof Amsterdam was of de rechtsbijstand was verleend door een derde. De procedure betrof een commanditaire vennootschap (cv), waarvan een stichting de beherend vennoot was. De enige bestuurder van de stichting was daarnaast werkzaam voor een incassobureau en juridische dienstverlener. De vraag was in welke hoedanigheid deze persoon rechtsbijstand had verleend. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de proceshandelingen door de cv waren verricht. Het hof was van oordeel dat geen sprake was van een belanghebbende die feitelijk optrad in zijn eigen zaak. Het hof vond van belang dat een aantal processtukken namens de cv was ondertekend en ingediend door een andere werknemer van de juridische dienstverlener. De door de cv afgegeven machtiging vermeldde expliciet de mogelijkheid van substitutie.


Reisdagen naar werk in buitenland tellen mee voor aftrek elders belast

Een inwoner van Nederland, die werkzaam is in het buitenland, heeft mogelijk recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wanneer zijn inkomen ook in het buitenland belast is. Wanneer Nederland met het betreffende land een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing heeft gesloten, bepaalt het verdrag aan welk land de heffingsbevoegdheid over de in het buitenland verdiende beloning is toegewezen. Wanneer dat het werkland is, moet het woonland aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen voor deze beloning. Volgens een arrest van de Hoge Raad moet, wanneer het bedrag van de aan het buitenland toe te rekenen beloning niet kan worden vastgesteld aan de hand van salarisspecificaties, dit naar tijdsevenredigheid afgeleid worden uit het jaarloon. Dat gebeurt door middel van de dagenbreuk. De teller van deze breuk bestaat uit het aantal dagen waarop in de werkstaat is gewerkt. De noemer bestaat uit het aantal kalenderdagen, verminderd met weekeinddagen, vakantiedagen, feestdagen en andere dagen waarop niet gewerkt hoefde te worden.

De wijze van berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting was inzet van een procedure bij de rechtbank. De procedure betrof een in Nederland wonende werknemer, die een deel van zijn werkzaamheden verrichtte in Frans-Guyana. Meer specifiek ging het om de vraag of de reisdagen van en naar Frans-Guyana geheel of gedeeltelijk als in het buitenland gewerkte dagen meetelden. De werknemer was van mening dat de reisdagen op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk geheel aan het werkland moesten worden toegerekend. De Belastingdienst meende dat alleen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend hoefde te worden voor zover de dienstbetrekking feitelijk op het grondgebied van Frans-Guyana is uitgeoefend. Dat gold niet voor de reisdagen.

De rechtbank rekende de reisdagen geheel toe aan de gewerkte dagen, omdat de werknemer op die dagen vanuit Frans-Guyana is vertrokken of daar is aangekomen. Doorslaggevend daarvoor was dat de werkgever de reisdagen doorbetaalde en dat de reisdagen aansloten op het verrichten van werkzaamheden in Frans-Guyana.


Regeling compensatie transitievergoeding

Met ingang van 1 april 2020 betaalt het UWV op verzoek van de werkgever een compensatie voor de transitievergoeding die de werkgever heeft betaald bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer. De aanvraag voor compensatie kan betrekking hebben op transitievergoedingen die sinds 1 juli 2015 zijn betaald. De reguliere aanvraagtermijn voor de compensatie is maximaal zes maanden na betaling van de transitievergoeding. Bij betaling in termijnen kan de werkgever een aanvraag indienen na de laatste betaling.

De werkgever moet bij de aanvraag alle gegevens en bescheiden meesturen die het UWV voor de beslissing nodig heeft. Het UWV verstrekt voor de aanvraag een formulier. Het UWV moet in ieder geval kunnen vaststellen:

  • dat sprake was van een arbeidsovereenkomst;
  • de duur van de arbeidsovereenkomst;
  • dat de werknemer ziek uit dienst is gegaan;
  • dat transitievergoeding is betaald;
  • hoe de berekening van de transitievergoeding heeft plaatsgevonden; en
  • hoe hoog de kosten van de loondoorbetaling tijdens ziekte waren.


Inbreuk op godsdienstvrijheid

Het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de Mens (EVRM) omvat onder meer het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Deze vrijheden zijn niet onbeperkt. Het EVRM staat inbreuken op die vrijheid toe die bij wet zijn voorzien en noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De Centrale Raad van Beroep stelde in een procedure vast dat het dragen van een baard in ieder geval mede was gebaseerd op de geloofsovertuiging van de betrokkene. De betrokkene ontving een bijstandsuitkering. In het kader van zijn arbeidsintegratie werd de betrokkene gewezen op de mogelijkheid om een opleiding met baangarantie te volgen. Omdat bij het werk een gezichtsmasker gedragen moest worden, diende de betrokkene zijn baard af te scheren om aan de opleiding te kunnen beginnen. Dat weigerde hij vanwege zijn geloofsovertuiging. De gemeente kortte daarop eenmalig de bijstandsuitkering. Deze maatregel is volgens de Centrale Raad van Beroep een inbreuk op het recht op godsdienstvrijheid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze inbreuk was toegestaan, gelet op het beperkte perspectief van de betrokkene op reguliere arbeid. De inbreuk was noodzakelijk in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.