• Banner
  • Banner

Nieuws

Btw over privégebruik ten laste van de winst

Hof Den Haag heeft in een uitspraak uit december 1973 beslist dat de omzetbelasting over het privégebruik van een tot het ondernemingsvermogen behorende auto in aftrek kan komen op de winst uit onderneming. Het hof leidde dat af uit het wetsartikel over de invloed van het privégebruik op de winstbepaling. Daarin staat dat een forfaitair bedrag aan kosten geacht wordt niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming. De inspecteur kan bewijzen dat de kosten van het privégebruik hoger zijn dan het forfaitaire bedrag. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Financiën in een brief laten weten dat hij niet in cassatie gaat tegen de uitspraak van het hof. In de toelichting schrijft de staatssecretaris dat hij zich er mee kan verenigen dat de uitspraak van het hof door de Belastingdienst tot richtsnoer wordt genomen.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs in een procedure geoordeeld dat een ondernemer aan deze brief van de staatssecretaris het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat hij de over het privégebruik auto verschuldigde omzetbelasting ten laste van zijn winst uit onderneming kan brengen. De rechtbank ziet in de opmerking van de staatssecretaris dat de uitspraak als richtsnoer kan gelden een toezegging. Die toezegging is tot op heden niet ingetrokken. Volgens de rechtbank houdt de uitspraak van Hof Den Haag in dat met de toepassing van de bijtelling voor privégebruik van de auto op basis van de Wet IB 2001 volledig rekening is gehouden met de onttrekking wegens privégebruik. Het gevolg daarvan is dat de over de bijtelling voor privégebruik verschuldigde omzetbelasting ten laste van de winst uit onderneming komt.


Rendabel maken van vermogen

Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, wordt aangemerkt als een werkzaamheid. Van normaal vermogensbeheer is geen sprake als het rendabel maken van onroerende zaken geschiedt door middel van arbeid van de eigenaar met als doel het behalen van een redelijkerwijs te verwachten voordeel dat hoger is dan het rendement bij normaal vermogensbeheer.

De dga van twee vennootschappen, die zich bezighielden met het aankopen, opknappen en verkopen van onroerende zaken, kocht in privé twee woningen. De dga liet die woningen verbouwen en verkocht ze daarna. De vraag was of de aankopen en verbouwingen waren gedaan met de intentie om de woningen met winst te verkopen. De Belastingdienst meende dat dit het geval was. De dga beschikte over kennis van het aankopen, verbouwen en verkopen van onroerende zaken. De verbouwingen werden uitgevoerd door de dga zelf of onder zijn leiding.

De rechtbank was van oordeel dat de dga de woningen heeft aangekocht met het oogmerk om deze na renovatie en verbetering te verkopen. Van belang vond de rechtbank het ontbreken van aanwijzingen voor verhuur of zelfbewoning van de woningen en het korte tijdsverloop tussen aan- en verkoop. Het met de transacties behaalde voordeel was belast in box 1.


Doorbelasten van zuiveringsheffing

Zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van afvalwater. De gebruiker van een bedrijfsruimte of een woonruimte is degene die aan de heffing is onderworpen. De gebruiker van een bedrijfsruimte die een deel daarvan in gebruik heeft gegeven aan een ander is wettelijk bevoegd om de zuiveringsheffing te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven. Woonruimten op een verblijfsrecreatieterrein worden voor de zuiveringsheffing als één bedrijfsruimte of als onderdeel van een bedrijfsruimte aangemerkt.

De exploitant van een recreatiepark verhaalde de zuiveringsheffing op de recreanten. De vraag was of daarover omzetbelasting moest worden berekend. De exploitant meende van niet omdat hij geen prestatie verrichtte waarvoor de betaling van zuiveringsheffing een vergoeding vormde. De Belastingdienst meende dat de vergoeding samenhing met de levering van het water aan de recreanten en daarom belast was. De parkexploitant merkte op dat de levering van water geen afzonderlijke prestatie was, maar opging in het geven van gelegenheid tot recreëren. De rechtbank deelde de opvatting dat de levering van water aan recreanten voor hen geen doel op zich was maar een onderdeel van de mogelijkheid om op het park te recreëren en te verblijven. De hoofdprestatie is belast naar het lage tarief. 

De parkexploitant meende dat de verhaalde zuiveringsheffing desondanks niet was onderworpen aan omzetbelasting, omdat sprake was van zogenaamde uitschotten van belasting. Een uitschot van belasting is een bedrag dat door een dienstverrichter voor de belastingplichtige wordt betaald en vervolgens aan hem wordt doorbelast. Over uitschotten van belasting hoeft geen omzetbelasting te worden berekend. Volgens de rechtbank verhindert het feit dat de parkexploitant door de wet is aangewezen als degene die de heffing moet betalen niet dat sprake is van uitschotten. De rechtbank verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit 1985 over de doorberekening van toeristenbelasting door een campinghouder aan zijn gasten. De rechtbank merkt daarbij op dat de bedoeling van de zuiveringsheffing is dat de vervuiler betaalt en dat de exploitant in de heffing wordt betrokken om de uitvoering te vereenvoudigen.


Vrijval oudedagsreserve door staking onderneming

Een ondernemer die voldoet aan het urencriterium kan ten laste van de winst uit onderneming een oudedagsreserve vormen. Een gevormde oudedagsreserve valt vrij in het jaar waarin de onderneming wordt beëindigd. De ondernemer, die zijn onderneming beëindigt, heeft in het kalenderjaar van beëindiging recht op een stakingsaftrek tot het bedrag van de behaalde stakingswinst. De stakingsaftrek kent een maximum van € 3.630. Een eerder verleend bedrag aan stakingsaftrek wordt in mindering gebracht.

Een ondernemer, die zijn onderneming had ingebracht in een door hem opgerichte bv, claimde dat zijn onderneming desondanks was blijven bestaan omdat hij naast de voor de bv verrichte werkzaamheden activiteiten voor eigen rekening was blijven verrichten. Enig bewijs van deze activiteiten ontbrak. Zo werd geen omzet gerealiseerd en werden geen kosten voor deze activiteiten gemaakt. Ook was er geen agenda of urenregistratie. Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat de onderneming in het jaar van inbreng in de bv geheel was gestaakt. De inspecteur heeft daarom de gevormde oudedagsreserve terecht tot de winst uit onderneming in dat jaar gerekend. Wel had de inspecteur daarbij de volledige stakingsaftrek van € 3.630 moeten toepassen, aangezien de ondernemer niet eerder stakingsaftrek heeft genoten.


Geen aftrek btw bij fictieve transacties

De Europese btw-richtlijn bevat de voorschriften waaraan de btw-wetgeving van de lidstaten moet voldoen. Een van de bepalingen van de richtlijn houdt in dat iedereen, die btw op een factuur vermeldt, deze belasting verschuldigd is. Dat geldt ongeacht of de factuur betrekking heeft op een belaste prestatie van een ondernemer. De btw-richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om andere dan in de richtlijn opgenomen verplichtingen voor te schrijven ter voorkoming van fraude. Deze verplichtingen mogen het handelsverkeer tussen de lidstaten niet hinderen. Een voorbeeld daarvan is het verbod op aftrek van voorbelasting op fictieve transacties, terwijl degene die de btw op de betreffende factuur heeft vermeld wel verplicht is deze te betalen. Dat is in overeenstemming met de btw-richtlijn, op voorwaarde dat het nationale recht de mogelijkheid biedt om de belastingschuld te herzien wanneer de opsteller van de factuur het gevaar voor verlies aan belastinginkomsten heeft uitgeschakeld.

In antwoord op prejudiciële vragen van de Italiaanse belastingrechter heeft het Hof van Justitie EU gezegd dat het in strijd is met de beginselen van evenredigheid en neutraliteit van de btw om de onrechtmatige aftrek van btw te bestraffen met een geldboete die gelijk is aan het bedrag van de toegepaste aftrek. De procedure heeft betrekking op een Italiaans elektriciteitsbedrijf. Binnen de groep van bedrijven werden dezelfde hoeveelheden energie meerdere malen doorverkocht tegen dezelfde prijs. Omdat er geen energie werd geleverd, merkte de Belastingdienst de transacties aan als fictief.


Kamervragen belastingheffing van dga

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de mogelijke toepassing in Nederland van een Scandinavisch model voor het belasten van winst en inkomen van ondernemers. Het gaat om een duaal stelsel, waarbij kapitaal- en arbeidsinkomen apart worden belast. In de Scandinavische landen wordt een forfaitaire winst toegekend aan vermogen en wordt de overwinst belast als inkomen uit arbeid. Een van de vragen is of een dergelijk stelsel eenvoudiger en rechtvaardiger werkt dan de Nederlandse gebruikelijkloonregeling. Een andere vraag is hoe een forfaitair rendement op het vermogen in een onderneming vastgesteld zou kunnen worden. 

De staatssecretaris merkt op dat het bij de samenloop van kapitaal- en arbeidsinkomen ingewikkeld is om het onderscheid daartussen te maken, omdat het onmogelijk is vast te stellen welk deel van het inkomen als rendement op het kapitaal tot stand komt en welk deel van het inkomen voortvloeit uit arbeidsprestaties. Daarom wordt in het Scandinavische model het kapitaalinkomen fictief vastgesteld en het overige inkomen tot het arbeidsinkomen gerekend. In het huidige Nederlandse belastingstelsel komt de samenloop van kapitaal- en arbeidsinkomen met name aan de orde bij de dga. De dga wordt betrokken in een vermogenswinstbelasting voor zijn aandelenbezit, maar moet ook een (al dan niet fictieve) arbeidsbeloning in aanmerking nemen door de werking van de gebruikelijkloonregeling. Het huidige Nederlandse belastingstelsel geeft dga’s een fiscale prikkel om hun gebruikelijk loon zo laag mogelijk vast te stellen. Daarnaast kunnen dga’s de belastingheffing in box 2 langdurig uitstellen. De vraag of wijzigingen in dat stelsel tot een verbetering kunnen leiden is onderwerp van onderzoek binnen het zogenaamde bouwstenentraject. 

Dat bouwstenentraject houdt in dat de staatssecretaris in 2020 met concrete bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het belastingstelsel komt. Daarbij zal volgens de staatssecretaris ook gekeken worden naar ingrijpende hervormingen van het belastingstelsel, met mogelijk gevolgen voor de huidige boxenstructuur.


Heretikettering auto van de zaak

Een ondernemer heeft de mogelijkheid om vermogensbestanddelen die zowel zakelijk als privé worden gebruikt als ondernemings- of als privévermogen te kwalificeren. De keuze voor ondernemingsvermogen moet worden gemaakt in het jaar waarin het vermogensbestanddeel voor het eerst voor de onderneming wordt gebruikt. Deze keuze kan gewijzigd worden tot het moment waarop de aanslag van het desbetreffende jaar onherroepelijk vaststaat. Daarna is herziening van de keuze alleen mogelijk op grond van bijzondere omstandigheden. Een ingrijpende functiewijziging van het vermogensbestanddeel kan een bijzondere omstandigheid zijn.

Een ondernemer claimde dat hij een in 2012 gekochte en als ondernemingsvermogen gekwalificeerde auto sinds eind december 2012 niet meer zakelijk gebruikte. Dat was een bijzondere omstandigheid die heretikettering van de auto mogelijk maakte. De ondernemer verkocht de auto in 2013. Door de heretikettering ontstond een boekverlies op de auto, dat aanvankelijk werd geaccepteerd maar later door navordering werd gecorrigeerd. De inspecteur bestreed het bestaan van een bijzondere omstandigheid die heretikettering rechtvaardigde. Volgens de inspecteur moest de ondernemer aantonen dat hij de auto niet meer zakelijk heeft gebruikt na december 2012. 

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden volstond het als de ondernemer aannemelijk zou maken dat sprake was van een bijzondere omstandigheid. Het hof achtte hem daar niet in geslaagd. De ondernemer had geen rittenadministratie bijgehouden en niet op verifieerbare wijze inzicht kunnen geven in het feitelijk gebruik van de auto. Mede van belang vond het hof dat de ondernemer zowel in eerdere als in latere jaren een auto tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend. De auto is volgens het hof tot het moment van verkoop in 2013 tot het ondernemingsvermogen blijven behoren. De inspecteur heeft terecht het in 2012 in aanmerking genomen boekverlies gecorrigeerd. Ook de bijtelling voor privégebruik van de auto moest over de periode van december 2012 tot de verkoop worden toegepast.


Intracommunautaire driehoektransacties

De Europese btw-richtlijn omschrijft een intracommunautaire verwerving van goederen als het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een zaak die door de verkoper of de afnemer is verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek.

De intracommunautaire verwerving van goederen vindt plaats daar waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van het vervoer naar de afnemer. De btw-richtlijn bepaalt verder dat als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt het grondgebied van de lidstaat die het door de afnemer gebruikte btw-identificatienummer heeft toegekend wanneer de afnemer niet kan aantonen dat de btw is geheven in de lidstaat van aankomst. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer de afnemer aantoont dat de verwerving is verricht met het oog op een doorlevering binnen het grondgebied van de lidstaat van aankomst, waarbij degene voor wie deze doorlevering bestemd is de btw moet betalen en de afnemer de lijst met intracommunautaire transacties heeft ingediend. Volgens het Hof van Justitie EU mag de bepaling ook niet worden toegepast wanneer deze lijst te laat is ingediend.

De lidstaten mogen intracommunautaire verwervingen van goederen binnen hun grondgebied niet belasten met btw wanneer aan zekere voorwaarden is voldaan. Het gaat om de volgende voorwaarden:

  1. de verwerving wordt verricht door een in een andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde ondernemer met het oog op een levering in diezelfde lidstaat;
  2. de goederen worden rechtstreeks vanuit een andere lidstaat dan die waarin de ondernemer voor btw-doeleinden is geïdentificeerd verzonden naar de afnemer van de levering;
  3. de afnemer is een andere ondernemer of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die in diezelfde lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd en is aangewezen als degene die de btw moet voldoen die is verschuldigd uit hoofde van de levering.

Volgens het Hof van Justitie EU is aan de onder 2 genoemde voorwaarde voldaan wanneer de belastingplichtige in de lidstaat, van waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd, is gevestigd en voor de btw is geïdentificeerd, maar voor de betrokken intracommunautaire verwerving het btw-identificatienummer van een andere lidstaat gebruikt.


Proceskostenvergoeding

Een belanghebbende, die in een bestuursrechtelijke procedure geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, heeft recht op een vergoeding van de door hem gemaakte kosten van professionele rechtsbijstand. De belanghebbende moet in de procedure wel om die vergoeding vragen. Het komt nogal eens voor dat over de proceskostenvergoeding wordt doorgeprocedeerd terwijl de inhoudelijke zaak al is afgerond. Wanneer een bestuursorgaan wel aan de bezwaren tegemoet komt maar aanvankelijk geen vergoeding toekent, kunnen de kosten flink oplopen.

De Hoge Raad heeft onlangs in een arrest de gemeente Den Haag in verband met een vernietigde aanslag parkeerbelasting veroordeeld tot een vergoeding aan de belanghebbende van in totaal € 3.196. De belanghebbende had beroep in cassatie aangetekend tegen een uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank had verzuimd om de gemeente te veroordelen in de kosten van de bezwaarfase. Eerder had de belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld omdat de gemeente zijn bezwaar ongegrond had verklaard. Voordat de rechtbank toekwam aan behandeling van de zaak, had de gemeente de naheffingsaanslag vernietigd en trok de belanghebbende zijn beroep in, met verzoek om vergoeding van proceskosten.


Geen ruimere toepassing paraplukredietarrest

Een geldlening of een borgstelling tussen gelieerde vennootschappen is onzakelijk wanneer de transactie voortvloeit uit aandeelhoudersbelangen. Voor de beantwoording van de vraag of een transactie moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, is dooslaggevend of een niet van de winst afhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde transactie aan te gaan.

In een overeenkomst uit 2003 met de bank heeft een moedermaatschappij hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaard voor de lening van haar dochtermaatschappij. Tussen moeder- en dochtervennootschap is geen overeenkomst gesloten waarin de gevolgen van de aansprakelijkheid zijn geregeld. In 2013 werd de dochtervennootschap failliet verklaard. De moedermaatschappij heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting over 2012 een voorziening opgenomen in verband met de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de dochter aan de bank. Hof Den Bosch was van oordeel dat de moedermaatschappij deze voorziening ten laste van haar winst mocht brengen. Het hof verwees in zijn oordeel naar een arrest van de Hoge Raad uit 2014 in een vergelijkbare situatie. Volgens het hof heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de moedermaatschappij onzakelijk had gehandeld door de hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden.

In cassatie deed de staatssecretaris van Financiën ter onderbouwing van de onzakelijkheid van de transactie een beroep op het zogenaamde paraplukredietarrest van de Hoge Raad uit 2013. In dat arrest zijn drie cumulatieve voorwaarden gesteld waaronder uitgaven van een vennootschap in verband met hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van een gelieerde vennootschap niet ten laste van de winst kunnen komen. Die voorwaarden zijn:

  1. een vennootschap neemt deel aan een kredietarrangement van het concern waartoe de vennootschap behoort;
  2. de vennootschap is hoofdelijk aansprakelijk voor alle vorderingen van de bank uit hoofde van het kredietarrangement op de andere vennootschappen van het concern; en
  3. de vennootschap eist een regresvordering uit de aansprakelijkheid niet op voordat de gehele schuld aan de bank is voldaan.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een ruimere toepassing van het paraplukredietarrest in gevallen waarin niet aan alle voorwaarden is voldaan. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.